Hoe gaaf zijn de gebitten van de Nederlandse jeugd?

3 min leestijd

Het gaat relatief beter met de mondgezondheid in Nederland. Toch heeft 40 procent van de vijfjarigen gaatjes en heeft slechts 16 procent van de 23-jarigen een gaaf gebit. Bovendien zijn er grote sociaaleconomische verschillen. TNO doet al sinds 1987 onderzoek naar de mondgezondheid van de Nederlandse jeugd. “Op basis van onze cijfers kun je betere preventie- en voorlichtingsadviezen geven”, vertelt tandheelkundig epidemioloog Annemarie Schuller.

“Heb je ooit een beugel gehad?” en “Knars je ’s nachts met je tanden?”, vraagt tandarts Erik Vermaire aan de 23-jarige Anouk. Ze ligt op een van de twee stoelen in de TNO-tandartsbus die in Breda staat. Volgens een vast protocol noemt Vermaire hardop wat hij bij elke tand of kies ziet: “1-7, 11 occlusaal, 1-6, 12 occlusaal…” Buschauffeur en assistent Marcel voert de codes in op de computer. Zo worden gaatjes, vullingen, tandplak en slijtage in Anouks gebit vastgelegd. In de bus wordt alleen gekeken, niet behandeld. Het onderzoek duurt een kwartiertje en dan vult Anouk nog een vragenlijst in.

Epidemiologisch onderzoek naar mondgezondheid

Ondertussen klimt de 5-jarige Xavi met zijn moeder in de bus. Zo komt de een na de ander – op afspraak – binnen voor het monitoringproject ‘Kies voor Tanden’. Sinds 1987 doet TNO elke drie jaar dit epidemiologisch onderzoek naar de mondgezondheid van de jeugd. Dit jaar onderzoeken Vermaire en zijn zeven collega-tandartsen de gebitten van kinderen van 5 en 11 jaar en jongvolwassenen van 17 en 23 jaar. Naast Breda komt de bus ook in Alphen aan den Rijn, ‘s-Hertogenbosch en Gouda. Opdrachtgever is Zorginstituut Nederland, dat het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport adviseert op het gebied van zorg.

“Veel ouders weten nauwelijks wat echt goed is voor het kindergebit”

Wetenschappelijk onderbouwde cijfers

Dinsdag is de vaste busdag van Annemarie Schuller. Ze is tandheelkundig epidemioloog en sinds 2000 projectleider van ‘Kies voor Tanden’. Zo houdt ze zelf voeling met de praktijk. Als senior scientist werkt ze drie dagen per week voor TNO en twee dagen als universitair hoofddocent bij het UMC Groningen. “TNO is in ons land het enige onderzoeksinstituut dat dit epidemiologisch onderzoek doet”, zegt Schuller. “Zo krijg je wetenschappelijk onderbouwde cijfers over de mondgezondheid van de Nederlanders, jong en oud. Die kun je niet uit de tandartssystemen halen; daar staan de behandelingen en verrichtingen in die gedeclareerd worden bij patiënten en de zorgverzekeraars. In feite zien wij de gevolgen van het gevoerde overheidsbeleid. Op basis van onze cijfers kun je goede preventie- en voorlichtingsadviezen geven.”

Embed caption here

TNO-tandarts Erik Vermaire vertelt in Breda over het onderzoek naar mondgezondheid.

Snoepen en zoete drankjes

In de periode 1995-2013 is de mondgezondheid in het algemeen wat beter geworden. “Cariës is nagenoeg te voorkomen”, zegt Schuller. “Onze visie van TNO is kort gezegd: mondgezond, een leven lang! In de praktijk valt echter nog veel te verbeteren. Maar liefst 84 procent van de jongvolwassenen heeft in zijn gebit al gaatjes of niet-gevulde gaatjes. En dat geldt voor vier op de tien vijfjarigen. Dat is gewoon shocking! De toestand van het melkgebit is de beste voorspeller voor het blijvend gebit, maar dat hoeft niet. Door onduidelijkheid over dat kinderen meeverzekerd zijn in de basisverzekering van hun ouders, blijft tandheelkundige zorg uit kostenoverweging soms achterwege. Veel snoepen en zoete drankjes, te vaak eten, geen aandacht voor het poetsen en dan met een flesje melk naar bed! Veel ouders weten nauwelijks wat echt goed is voor het kindergebit.”

“De mondgezondheid verbetert bij mensen met een hoge sociaaleconomische status wat sneller dan bij mensen met een lage sociaaleconomische status. Zo wordt het gat tussen laag en hoog steeds groter”

Gaaf gebit

Bovendien blijkt dat er grote sociaaleconomische verschillen zijn. Bij ouders met een lager opleidingsniveau of een lage sociaaleconomische status (SES) heeft 57 procent van de vijfjarigen een gaaf gebit. Bij ouders met een hoger opleidingsniveau of hoge sociaaleconomische status is dat 70 procent. Schuller: “Bij 23-jarigen zie je dat verschil ook: bij een lage SES heeft 11 procent een gaaf gebit en bij een hoge SES 22 procent. Dat scheelt echt een factor twee. De mondgezondheid verbetert of blijft de laatste jaren gelijk bij mensen met zowel een hoge als lage SES. Maar de mondgezondheid verbetert bij de hoge SES-groep wel wat sneller dan bij de lage SES-groep. Zo wordt het gat tussen laag en hoog steeds groter. Wil je dat wel als overheid?”

“We hopen begin 2022 te kunnen zeggen dat de intensieve oudercoaching zorgt voor goede gebitjes van de Gigagaaf-vijfjarigen; gaver dan die van de controlegroep”

Sociaaleconomische verschillen verkleinen

Het project Gigagaaf probeert die sociaaleconomische verschillen te verkleinen. In dit project werken TNO, UMC Groningen (trekker van Gigagaaf) en de Erasmus Universiteit (Rotterdam) samen. Het praktijkonderzoek vindt plaats in de regio’s Den Haag en Oost-Groningen. De bevolking in deze regio’s heeft gemiddeld de laagste SES van ons land. “We werken daar samen met de consultatiebureaus en tandartspraktijken”, vertelt Schuller. “Via die consultatiebureaus worden ouders met een kind van een half jaar – eerste tandje – naar de tandarts verwezen. Deze bepaalt hoeveel coaching de ouders nodig hebben om te zorgen dat hun kind een gaaf gebit blijft houden. We hopen begin 2022 te kunnen zeggen dat die intensieve oudercoaching zorgt voor goede gebitjes van de Gigagaaf-vijfjarigen; gaver dan die van de controlegroep. Dat zou dan een methode zijn om de verschillen in mondzorg tussen laag- en hoogopgeleide mensen te verkleinen.”

contactpersoon
Dr. Annemarie Schuller Locatie Leiden - Sch + Page 1 Locatie: Locatie Leiden - Schipholweg
e-mail
nieuws
evenementen
lees ook
vacatures
aandachtsgebieden
  • Gezond leven